Met Chenin Blanc kan je alle kanten op

De chenin blanc is een witte druif die wordt gebruikt voor het maken van droge, zoete maar ook mousserende witte wijnen. Met chenin blanc kan je werkelijk alle kanten op.

De druif komt oorspronkelijk uit de Loire streek en is gevoelig voor edelrot door de schimmel Botrytis Cinerea. De chenin blanc produceert frisse en fruitige wijnen met zeer uiteenlopende smaken van fruit. In het algemeen staat dit druivenras bekend om zijn strakke wijnen. De geur is vaak heerlijk breed, mooi bloemig, met appel, tropisch fruit, amandel, marsepein en honing. De smaak sappig, fris en toegankelijk. Juist de tonen van gras en groene appels heeft wat weg van de sauvignon blanc. Maar nog meer laat een wijn gemaakt van chenin blanc zich het beste omschrijven als een chardonnay met een duidelijker zuur. Ook impressies van boenwas en abrikozenjam worden genoemd.

Van oorsprong aangeplant in Frankrijk loopt het aantal hectares waar deze druif in Frankrijk wordt verbouwd evenwel sterk terug en bedraagt di nog maar een kleine 10.000 in 2015. Met name in de jaren '70 van de vorige eeuw is er veel chenin blanc vervangen door een ander populair ras in de Loire, de cabernet franc.

Chenin blanc gedijt goed in het Loire dal waar hij ook pineau de la Loire genoemd wordt. De druif concentreert zich in het departement Maine-et-Loire rondom de steden Angers en Tours. Bekend zijn de mousserende Crémant de Loire, Vouvray en Saumur. En niet op de laatste plaats de zoute wijnen van Vouvray, Montlouis, Bonnezeaux en Quarts de Chaume met hun hoge suikergehalte en een perfect tegenwicht door een hoge zuurgraad. Chenin blanc wordt eigenlijk altijd als monocepage ingezet ofschoon men voor in Anjou en Saumur ook maximaal 20% chardonnay en sauvignon blanc mag gebruiken.

Landen waar deze druif verder voorkomt, zijn de staten Californië en Washington in de VS, Chili, Argentinië, Nieuw-Zeeland en vooral Zuid-Afrika. Deze laatste produceert verreweg het meeste (namelijk ruim 20.000 hectare) en deze druif is daar bekend onder de naam "steen". Pas in 1965 ontdekte men in Zuid-Afrika dat hun "steen" in feite chenin blanc was. Deze variëteit was waarschijnlijk één van de originele Europese stekken, die in 1655 naar de Kaap werd gebracht door de nijvere Jan van Riebeek van de VOC. Zijn veelzijdigheid, betrekkelijk hoge opbrengsten en goede weerstand tegen ziektes en de wind maakten hem in Zuid-Afrika tot een zeer populair ras. Zo populair dat er nu in geheel Zuid-Afrika ruim drie keer meer chenin blanc staat aangeplant dan in Frankrijk zelf.

Met name toen men in Zuid-Afrika het belang van een koele vergisting bij de productie van witte wijnen in en warm klimaat ontdekten, bleek de chenin blanc een ideale grondstof. De druiven rijpen tamelijk vroeg in het seizoen en kunnen bij lage temperaturen worden vergist hetgeen leidt tot wijnen met een aangename frisheid met niet zelden een klein prikkeltje. Chenin blanc gedijt het beste op kalkhoudende bodems waaronder het tufkrijt in Touraine. In nieuwere wijnstreken wordt hij op allerlei soorten bodems geplant.